In Memoriam Lei Heijdendael
09-02-2026

Vrijdag 23 januari overleed in de leeftijd van 93 jaar de heer Lei Heijdendael. In het oude kerkje namen we afscheid van een markante Eygelshovenaar. Een van zijn kleinkinderen speelde op de mondharmonica!
Lei schreef af en toe over zijn jeugd in Eygelshoven. Enkele van zijn herinneringen willen we met u delen.

Wie ‘Lei’ zegt, die zegt ook: ‘Els’. Altijd zag je ze samen. In het dorp, in de Jumbo, in de kerk, in de dagkapel. Ik kon dan goed zien dat Els haar hand in die van Lei legde. ‘Ich hoad va dich’, zei hij niet lang voor zijn dood. Al 60 jaar getrouwd. Een mooi gezin mogen stichten.

Wie ‘Lei’ zegt, die zegt ook: ‘Eygelshoven.’ Zijn jeugd in de Bergeikstraat. Zijn voorzitterschap van de K.A.J. Zijn sportieve leven. Fietsen, voetballen, hardlopen.
Het fietsen. Met de kinderen naar Eijsden. Met een stop in Eys. Koffiebroodjes eten. En een lekke band? Die leerde hij de kinderen plakken in 2 minuut 18 seconden!
De laatste jaren vertelde hij ook vaak dat hij van de fiets was afgereden, en een hoofdwond had opgelopen. Dat is ergens in 2006 geweest. Een traumatische ervaring die veel inpact heeft gehad.

‘Eygelshoven’: Zijn werk voor de vakbond, de strijd die hij voerde voor een rechtvaardige behandeling van de arbeiders. De Molenweg, het thuis van Lei en Els en de kinderen. De volkstuin, of beter gezegd: volkstuinen. Want hij bewerkte er op een gegeven moment drie.

Wie ‘Lei’ zegt, die zegt ook: ‘muziek’.
Af en toe kreeg ik een brief van Lei. Zomaar, als nieuwjaarswens, of als hij iets bijzonders had meegemaakt. Ik denk dat ik hem maar gewoon zelf laat vertellen over zijn leven. Ik zal enkele herinneringen met u delen.

De oorlog in Eygelshoven.
Lei vertelt: … “Het was tegen het einde van de oorlog… Aan de Wolfsweg lag naast het spoor de fabriek, en daar lag ook een peloton Amerikanen.
Op een dag gebeurde er iets vreselijks.
Op het terrein stonden wij met een vijftal jongens uit de Baan bij een Amerikaanse soldaat.
Hij was in de ‘buut’ zijn kleren aan het wassen. Even verder stroomde de Worm. Het was de grens met Duitsland. En daarachter de verdedigingslinie van de Duitsers met de nodige bunkers.
Wij keken toe hoe de soldaat zijn kleren schoonmaakte. Opeens hoorden wij vanuit Finkenrath een mitrailleursalvo. Even later hoorden wij de kogels inslaan in de wastombe van de Amerikaan. De kogels kwamen allemaal terecht in de buut. Het water spoot aan alle kanten uit de buut.
Had de Duitse schutter zijn mitrailleur van links naar rechts bewogen, dan had hij de Amerikaan en ons, jongens, allemaal gedood. Toch een gelukkige afloop. Maar de schrik zat er goed in!”

Hoe is Lei met muziek in aanraking gekomen? Hij zag en hoorde het om zich heen. Thuis en in de buurt, op de radio en in de kerk.
“Wat was het vroeger toch mooi, er was een hechte gemeenschap. De Missen werden heel goed bezocht. Je moest soms goed je best doen om nog een plaats te bemachtigen! Kwamen we na de Hoogmis thuis, dan aten wij samen een boterham. Daarna was het tijd voor mij om op te treden. Ik zette de radio aan.
Op de Belgische radio was om 12.30 uur een uitzending met opera en klassieke muziek, Belcanto, en als er een klassiek stuk werd gespeeld, dan ging ik op de tafel staan en dirigeerde het muziekstuk en als toegift zong ik dan met mijn jongenssopraan-stem het Ave Maria.
Daar is de liefde voor muziek begonnen. De tenor Beniamino Gigli was toen mijn favoriete tenor.” …
Het was Lei’s droom ooit een beroemde tenor te worden. Lei heeft in Eygelshoven jarenlang gezongen:
“Mijn broer Jan, twee jaar ouder dan ik, was al lid van het jongenskoor van de Johannes de Doperkerk in ons dorp in Eygelshoven.
Toen ik op de lagere school op de eerste klas kwam mocht ook ik lid worden van het jongenskoor. Het waren ongeveer 30 jongens, die samen repetities hielden op het oksaal boven in de kerk. De koster was onze dirigent. Koster Beckers was een uitstekende organist en dirigent. Wij repeteerden veel liederen en natuurlijk ook Gregoriaanse Missen. Ik zong sopraan en de meeste jongens zongen dat ook.
Was de repetitie afgelopen, dan vroegen wij aan de koster of hij wat klassieke stukken op het orgel wilde spelen, want hij was een uitstekende muzikant en organist.
En dat was prachtig. Af en toe speelde hij een uur lang klassieke muziek. Vooral muziek van Johann Strauss en stukken uit verschillende opera’s. En wij genoten van de prachtige muziek!
Enkele jaren later werd ik lid van het kerkelijk zangkoor als 2e tenor. De dirigent van het koor was de heer Scheeren uit Kerkrade. Wij zongen met het koor af en toe ook in andere parochies. In het Gezellenhuis was ook een mannenkoor. Wij werden ook lid van dat koor.
Ja, en dan had de koster af en toe moeilijkheden met het orgel. Tijdens het spelen bleven af en toe de noten hangen en dat moest verholpen worden. Wij werden de trap van de toren opgestuurd en daar stond de rest van het orgel.
De koster toetste de noten aan en wij moesten het onderdeel net zo lang beroeren tot de toon weer zuiver was. En dan was de koster weer tevreden en kon hij weer mooi spelen.
Tijdens het verblijf in de toren maakten wij van de gelegenheid gebruik om de zoldering van de kerk te onderzoeken. Het was een geweldig oppervlak. De koster had ons gewaarschuwd, om er niet op te gaan lopen. Maar de koster was beneden en kon ons niet zien. Dus wij liepen over de gewelven. Wel met de nodige angst!
Want stel je voor: we zakten er doorheen! Dan had ik dit verhaal niet meer kunnen schrijven. De koster kwam het niet te weten en wij hielden onze mond.
Al met al was het een leuke periode en wij hebben er echt van genoten.”

“Op de zolder staan nog altijd mijn drie accordeons. Helaas werkeloos, want mijn vingers doen het niet meer. Te hard en te lang gewerkt, 43 jaar in de metaal als bankwerker. Twaalf jaar was ik toen ik mij eerste accordeon kon kopen. Ik had het gespaard door bij de buren werkjes op te knappen. Het spelen heb ik mezelf geleerd. In de meimaand speelde ik wel eens bij het kapelletje op de Bossen, natuurlijk Marialiedjes.”
De meesten van ons kennen Lei van de mondharmonica. Al jong, een jaar of zeven was hij, toen hij begon te spelen.
“Met zeven jaar kreeg ik mijn eerste mondharmonica en leerde er ook de bassen met de tongenslag op te spelen. Mijn moeder en drie broers speelden ook en zo sloot ik mij bij hen aan en speelde met hen mee. In de zomermaanden zat iedereen in de voortuin buiten. Er werd over en weer gepraat en natuurlijk muziek gemaakt en gedanst.
In de straat waren er 133 kinderen, waarvan 9 van de fam. Heijdendael. Van alle kanten kwamen de muziekinstrumenten naar buiten: de Wiener, een piano en natuurlijk de mondharmonica’s.
Tegenover ons woonde een Poolse jongen, Edmond Sekosky, en die speelde geweldig accordeon en piano. Dat was echt prachtig. Op straat werd gedanst. Er waren genoeg meisjes om mee te dansen!”
Wij hebben er van genoten, in de kerk, bij het kapelletje, iedere dag in de Meimaand. Hij kreeg een groot publiek toen hij via facebook iedere dag speelde in de coronatijd. Na 100 dagen achter elkaar gespeeld te hebben kwam zelfs onze burgemeester hem bedanken. Een van de opnames werd meer dan 30.000 keer bekeken. Een beroemde tenor is Lei niet geworden, maar hij was wel onze beroemde mondharmonicaspeler!

Lei schreef me:
“Ik heb laatst in het oude kerkje het Panis Angelicus gespeeld, wat ik het mooiste kerkelijke lied vind. Zelden heb ik zo emotioneel gespeeld als toen. Je kunt je gevoelens zo in dat stuk leggen.
Toen wij na de Mis de kerk verlieten, kwam een vrouw op me af en vertelde dat ze iedere keer als ik speelde, in de kerk, of bij de kapel in de meimaand, geraakt was. En daar werd ik erg door getroffen, dat ze door mijn spelen emotioneel werd.”
Lei zegt: “Van muziek heb ik altijd gehouden. Als ik het wel eens moeilijk heb, dan pak ik mijn harmonica en speel tot ik weer bij mijn positieven kom.”
Lei heeft niet alleen maar muziek gemaakt. In de grote kerk was hij vaak het smeedwerk aan het bewonderen. Dat was zijn beroep geweest, bankwerker. Hij bewonderde vakwerk. Hij genoot daarvan, zoals hij van goede muziek kon genieten. Hij wist hoeveel kundigheid daar achter stak.

Lei schreef: “Ik had deze brief aan u in het Frans willen schrijven, want Frans was op de MULO mijn lievelingsvak. Voor het examen had ik een 8 ½. Op het examen moest ik een Frans boek uit het hoofd leren. ‘Begin maar,’ zei de kloosterzuster. Nou daar kwam de sneltrein aan. Binnen een half uur was ik al bijna klaar. ‘Stop maar,’ zei de zuster. U bent al geslaagd.
Vrijdag erna kreeg ik mijn diploma en de maandag erna moest ik al gaan werken op het kantoor van een constructiebedrijf in Haanrade, waar in de fabriek twee van mijn broers als bankwerker werkten. Na twee jaar was ik het moe, het kantoorwerk. Dus op een maandagmorgen trok ik een overall aan en werd bankwerker.
Ik meldde me aan op de avondambachtsschool in Kerkrade. Vier avonden per week naar Kerkrade lopen, want een fiets hadden we nog niet. En na die vier jaar had ik mijn diploma’s inclusief mijn gezel-diploma.”

“Toen ik 19 jaar was ging ik in dienst. Aangezien ik de MULO afgemaakt had, werd ik op de kaderschool geplaatst voor de opleiding tot sergeant. Na negen maanden kreeg ik een gouden streep op mijn uniform en ‘stoot-troepen’ op mijn baret. Ik was er toch wel trots op dat ik het al zover had geschopt. Bij het peleton was ik de enige Limburger, tussen allemaal Amsterdamse jongens. Dat was de leukste periode van mijn diensttijd. Mijn dienstvrienden zeiden wel eens: ‘kom niet aan die kleine Limburger!’”

“Na de diensttijd begon mijn echte bankwerkers-loopbaan, die eindigde bij het bereiken van mijn 60ste verjaardag.
Ik was al jong lid van de K.A.J. (de Katholieke Arbeiders Jeugd) en toen ik terugkeerde van de diensttijd werd ik voorzitter, en dat bleef ik tot de dag waarop ik met Els trouwde.”

Met de K.A.J. – de Kajotters- ging Lei in 1957 naar Rome. Duizenden kwamen daar samen rond paus Pius XII. Het maakte enorme indruk op Lei.
Lei ging zich inzetten voor het vakbondswerk van de vakbond. Hij werd voorzitter van de bond op het werk, nam plaats in de ondernemingsraad. Kwam ook in de districtsraad van Limburg.
Hij had een scherp verstand en een groot rechtvaardigheidsgevoel. En hij was echt niet bang. Als vakbondsman vertegenwoordigde hij vaak zijn collega’s, die geen ‘Hollands’ spraken en daarom minder goed tegen de directie in konden gaan. Dan sprak Lei namens hen.
Dat deed hij zo krachtig dat de directie al snel probeerde van hem af te komen en hem een beter betaalde baan aanbood. Met als voorwaarde dat hij moest stoppen met zijn vakbondswerk. Dat weigerde Lei direct.
Vervolgens werd met ontslag gedreigd, met een jong gezin met 4 kinderen een serieuze zaak. Leo gaf geen krimp.
En toen er gestaakt moest worden en de fabriek werd stilgelegd legde hij als stakingsleider, voor de ogen van de directie een zware ketting om de poort van de fabriek.
Geen directeur die het ooit nog waagde hem te bedreigen. Tot op hoge leeftijd bleef hij bij ‘De bond’, om het lot van ‘de werkman’ te helpen verbeteren.
Lei schreef: “Drukke tijden. En dan nog een gezin stichten met vier kinderen, een meisje en drie jongens. We zijn blij dat we het allemaal hebben mogen doen en heel blij met onze kinderen!”

Lei had bijzondere herinneringen aan de uitvaartmissen in zijn jeugd:
“Vanuit het rouwhuis werd de koets met de overledene door paarden getrokken, omhangen met zwarte mantels. Een mevrouw die achter de koets liep, bad de rozenkrans. Ze heette mevr. Dohmen. En met haar prachtige stem deed ze veel mensen huilen.”
“In de kerk ging de pastoor op het priesterkoor zitten, in zwarte koorkap. Hij zong dan de gezangen van het dodenofficie. Ik dacht dan aan de overledene en aan de familie. De toenmalige pastoor Franck had dan een hele droevige stem, waardoor de emoties nog verder opliepen. Ik vond het zo jammer als hij ophield.”

Lei keek graag vooruit. Hij kon zich echt verheugen. “Ich wil noch noa Spanje fietsen!” Naar zoon Rinie, naar Mariette en Sebastián. Hij wilde Spaans leren om daar met de mensen te kunnen praten. Of hij oefende thuis om straks in de kerk of bij het kapelletje te kunnen spelen. Hij verheugde zich altijd op de meimaand.

Maar de laatste weken hoorden we: ‘’t geet nit mieë.’
Els en de kinderen stelden hem gerust: ‘‘t hoeft nit mieë!’
Als de kinderen vroeger gingen slapen, dan speelde Lei heel zachtjes. Eerst boven in het halletje, dan de trap af, tree voor tree. De muziek werd steeds zachter. “Guten Abend, gut’ Nacht, von Englein bewacht…”
Lei speelde en toen was het stil…