2022 03 PrinsengardeHet ziet er dit jaar weer niet goed uit voor de Carnavalisten in Eygelshoven. Corona heeft ons stevig in haar macht en het ziet er niet naar uit dat het virus zich voor 27 februari, Carnavalszondag, nog gewonnen geeft. Het gevolg is: weer geen optochten, geen bomvol Socio, geen optredens van artiesten, niets van dat alles. Maar goed we zullen het er mee moeten doen. Als troost kijken we daarom deze week even terug in de tijd, naar Carnavalsvereniging ‘Der Blaue Engel’, die in de jaren vijftig en zestig het middelpunt was van het feestgedruis in de Hopel.

We doen dat samen met twee dames uit de Hopel, die beiden nauw betrokken waren bij deze carnavalsvereniging. De een als lid van de Prinselijke garde en de ander als Tanzmariechen. Deze week zijn aan het woord Lenie Peeters - Jongkind (84), en Jonny Dings – Hendriks (83):

Lenie Peeters: “Ik ben geboren en getogen in de Hopel. Toen ik dertien jaar was vond mijn vader het nodig om een huis te kopen aan de Putstraat in Eygelshoven. Ik huilde dagenlang, want ik wilde graag in de ‘witte kolonie’ blijven wonen. Er was een mooi verenigingsleven en ik was onder andere lid van de Dames Handbalclub. Toen ik een jaar of zestien was, werd de Carnavalsclub ‘Der Blauwe Engel’ opgericht. Ze zochten dames voor de Prinsengarde. Normaal zijn dat mannen, maar in de Hopel wilden ze net weer iets anders. Veel van de meiden uit ons handbalteam gaven zich op en zo kwam ik ook, kort na de oprichting, bij de Prinselijke garde.”

Jonny Dings: “Mijn vader was een geboren verenigingsman. Hij was een van de oprichters van de voetbalclub en was er als de kippen bij toen er in de Hopel een carnavalsvereniging werd opgericht. Ik mocht me ook aansluiten, maar mijn vader was heel duidelijk, alleen als Tanzmariechen. Dat leek mij overigens geen slecht plan en zo werd ik Tanzmariechen bij ‘Der blauwe Engel’.

Lenie Peeters: “De kleren van de garde, werden door dames in de Hopel gemaakt. Zo ging dat in die tijd. Iedereen was op de een of andere manier wel betrokken bij het verenigingsleven. Maar over die kleren gesproken Wim, als wij bij slecht weer, een optocht hadden gelopen en we weer terugkwamen bij café Nöls, aan de Putstraat, dan moesten we vlug naar huis. Mijn moeder waste dan op de hand, mijn kleren en droogde die dan bij het fornuis. We moesten er ’s avonds, tijdens de feestavond natuurlijk weer keurig opstaan.

2022 03 Jonny en Leen 2

Jonny: “Het was voor die moeders natuurlijk een crime om die witte handschoenen en witte rokjes weer schoon te krijgen. Ik weet nog dat we met de garde, op een feestavond in een rij naast elkaar op de vloer gingen zitten en begonnen te sjoenkele. Mijn moeder zag dat en kwam van achteruit de zaal naar voren lopen om me even duidelijk te vertellen hoeveel moeite het haar kostte om mijn, met kant afgezette, broekje schoon te krijgen.

Lenie: “Het was een mooie tijd bij de garde. Maar de winters waren toen nog echt koud. En dan een optocht lopen door weer en wind, in een kort rokje, daar moet ik nu helemaal niet meer aan denken (lachend). Maar, we hadden het er graag voor over, want het was met de meiden van de garde altijd een feest als we bij elkaar waren. Ook de feestavonden, waar we als garde vooraan in de zaal stonden waren altijd gezellig. Ja, Ik denk graag aan die tijd terug.”

Jonny: “Nou daar kan ik ook nog wel een leuk verhaal over vertellen, Wim. Ik moest als tanzmariechen een dans instuderen voor een toernooi. Mijn leider, Huub Romkens regelde in Aken iemand die een mooie dans voor mij had. In een late middag ging ik achter op zijn brommer naar Aken en bovendien regende het flink die dag. We kwamen kletsnat aan, maar de training ging gewoon door. Terug op de brommer, terwijl het nog harder regende als op de heenweg. In plaats om naar de Hopel te rijden, reed hij naar zaal Nols, waar ik de dans nog een paar keer moest doen. Huub was bang dat ik de dans weer zou vergeten. Nou, daar hoef je tegenwoordig niet meer mee aan te komen, denk ik (lachend).”

De laatste vraag aan de dames is natuurlijk of zij het carnaval gaan missen?
Jonny: “Natuurlijk ga ik het carnaval missen. Dat is toch iets waar je naar uitkijkt.

Leen: “Zeker ga ik die drie dagen missen. Voor de jeugd hoop ik, dat zij volgend jaar weer zo van het carnaval kunnen genieten, als zij vroeger in de Hopel, bij ‘Der Blauwe Engel.”

We sluiten af en bedanken de dames voor het interview. Hoewel ‘Der blauwe Engel, geen lang leven beschoren was, bleven Lenie en Jonny betrokken bij het verenigingsleven van Eygelshoven en de Hopel.

Lenie werd vrijwilligster bij voetbalvereniging De Hopel en verleende daar, meer dan dertig jaar, allerlei hand en spandiensten en helpt nu nog steeds uit bij het verkopen van lootjes bij LHC. Jonny is inmiddels 58 jaar leidster bij Gymnastiekvereniging S.V.E.